De tranenvijver
© Michel Meissen
Buiten schuiven grijze wolken op blauw.
‘Hofvijver’ roept een stem
mechanisch door de tram.
Ze staan stil. Banken, rood bekleed, in ijzer
gevat, dragen onder meer een vrouw.
Zij kijkt, krant in de hand, schijnbaar rustig
als een ding, naar de rechthoekige vijver,
ziet de fontein die water spuwt, een klatering,
onverbiddelijk nijver. ‘Veertiende eeuws,’
mompelt zij, ‘al driehonderd jaar een eiland
voor vogels, planten, bomen.
Geen mens kan er komen. Geen gemis
omdat het een postzegel is.’
‘Het zijn tranen,’ denkt zij plots.
Alle tranen van de stad vloeien naar de
vijver. Van adellijke vrouwen
die baarden op het Binnenhof,
van diplomaten die hun zin niet kregen,
van burgers die weenden om
Van Oldenbarnevelt, gekerkerd,
niet geloofd, onthoofd,
Hugo de Groot zat er vast,
ontgoocheld, kon niet schrijven.
De gebroeders De Witt gelyncht door drift.
Golven tranen vloeiden uit de stad door
onrecht, wanhoop, honger, pest.
Zij ziet lanen en een gesloten kant
van hoge gevel met geel omrande ramen.
‘Weg met de zielenpoten!
Er zijn tranen van mannen op bedden
van kranten, met open mond,
prikkende vinger naar het volk.’
Zon schijnt langs een wolk.
‘Het zijn mannen met kloten
als ze werken. Het zijn tranen van
lachen met partijgenoten.’
De tram rijdt door
op enkel spoor.
Ze lacht om wat ze dacht,
pakt de krant, leest.
Luister ook naar de voordracht van dit gedicht door Michel Meissen
(© Michel Meissen, juli 2010, in verzamelbundel ‘Huilend in Den Haag’)